Sinds vorig schooljaar ligt de lat hoger voor leerlingen, leerkrachten en schooldirecties in het basisonderwijs. In september 2025 gingen basisscholen aan de slag met de nieuwe minimumdoelen van de Vlaamse regering. De kwaliteit van ons basisonderwijs was immers onvoldoende in vergelijking met andere Europese landen. Hogere verwachtingen van het onderwijsniveau vragen sterke leerkrachten, gedreven directeurs en een inclusief onderwijs om ook kinderen met specifieke onderwijsbehoeften zoveel mogelijk kansen te geven zich te ontwikkelen.
Moderator Loes Vandromme ging in gesprek met drie experten over wat er nu precies nodig is om ons basisonderwijs te ondersteunen, versterken én het hoofd te kunnen bieden aan de uitdagingen van vandaag. Bij haar op de sofa zaten Bruno Vanobbergen, directeur-generaal van het Katholiek Onderwijs Vlaanderen, Hilde Clays, directeur in het buitengewoon basisonderwijs, en Jan Loosveld, voorzitter van de Katholieke Leersteuncentra West-Vlaanderen en van de vzw Katholiek Basisonderwijs Heule.
Tijd voor onderwijskwaliteit
De nieuwe minimumdoelen leggen de focus op kennis. Sinds vorig schooljaar moeten alle basisscholen de nieuwe leerplannen toepassen. Hierin is bepaald wat leerlingen moeten kennen op het einde van de 3de kleuterklas, het vierde en het zesde leerjaar. ‘De nieuwe leerplannen geven houvast aan de leerkrachten. Het is ook op hun vraag naar kennisinhoud en didactiek dat het nieuwe leerplan er gekomen is’, legt Bruno Vanobbergen uit.
Hij geeft aan dat de onderwijskoepel – met de nieuwe leerplannen – scholen zoveel mogelijk wil ondersteunen, maar dat het een zeer moeilijke evenwichtsoefening blijft tussen de mate van voorgeschreven richtlijnen en de vrije invulling ervan door de leerkrachten en hun expertise.
‘Maar we mogen vooral het doel niet uit het oog verliezen’, benadrukt Bruno. ‘De opzet van de nieuwe minimumdoelen is niet om betere scores te halen op Europees niveau, maar om onze kinderen voldoende bagage mee te geven zodat ze hun kennis kunnen inzetten voor een betere samenleving.’
Sterke leerkrachten
Om een kwaliteitsvol onderwijs uit te bouwen hebben we ook sterke leerkrachten nodig.
Loes Vandromme pleit voor een duurzame oplossing. Die ziet ze in het lerarenloopbaanpact, een afsprakenkader om het beroep aantrekkelijker, werkbaarder en duurzamer te maken. ‘We moeten niet alleen werk maken van de instroom van leerkrachten maar ook een manier vinden om ze aan boord te houden’, zegt Loes. ‘Hierbij moeten we aandacht hebben voor de volledige loopbaan van een leerkracht. Ze moeten voldoende ondersteuning en begeleiding krijgen bij de start ervan tot het einde. Een ervaren leerkracht kan op het einde van zijn carrière bv. ingezet worden als coach voor nieuwkomers in het vak.’
‘Leerkrachten moeten zich kunnen focussen op hun kernopdracht, nl. lesgeven’, oppert Hilde Clays. ‘Schakelen tussen de verschillende neventaken zoals middagtoezicht, opvang en extra begeleiding kost teveel energie. In het buitengewoon onderwijs krijgen wij bv. ondersteuning van verschillende specialisten zoals kinesitherapeuten, orthopedagogen, psychologen …’
Er is ook nood aan professionalisering binnen het onderwijs volgens Loes. ‘We hebben sterke schoolbesturen nodig die de ruimte hebben om een professioneel HR-beleid te voeren en aandacht hebben voor de talenten van iedere leerkracht. Een groter schoolbestuur met meerdere scholen onder zich kan leerkrachten bv. op een flexibelere manier inzetten over de verschillende scholen op basis van hun kwaliteiten.’
Zorg voor onze schooldirecties
Professionalisering van het onderwijs brengt ons ook bij de schooldirecties. Als directeur moet je van alle markten thuis zijn: leidinggevend, administratief, pedagogisch, psychologisch … Is dit nog realistisch? Hoe kunnen we ze helpen?
Hilde Clays beaamt dat de rol van directeur steeds maar complexer wordt. ‘Het wordt haalbaarder als je deel uitmaakt van een scholengemeenschap’, zegt ze. ‘Taken die centraal georganiseerd kunnen worden zoals boekhouding, moeten niet lokaal in de school gebeuren. Een directeur moet zich kunnen bezighouden met het schoolteam.’
Bruno Vanobbergen vindt ook dat we directeurs moeten ontzorgen van personeelszaken, financiën en infrastructuurbeheer zodat ze zich kunnen focussen op louter pedagogische taken.
‘Een netwerk waarbij je ervaringen kan uitwisselen en leren van elkaar is ook zeer waardevol’, deelt Hilde nog. ‘Dat heeft mij rechtgehouden in het begin van mijn carrière als directeur!’
‘Kennis en expertise delen is niet alleen belangrijk tussen directeurs, maar ook tussen leerkrachten’, vult Bruno aan. ‘De uitdagingen voor scholen zijn zo groot, geen enkele school kan dit alleen! We moeten bekijken hoe we ons basisonderwijs op een andere manier kunnen organiseren. In Nederland hebben leerlingen bv. les tot 14 uur en daarna is er tijd voor sport of muziek. Tussen 14 en 17 uur hebben leerkrachten dan de kans om zich bij te scholen en te professionaliseren.’
Scholen voor iedereen
Inclusief onderwijs betekent dat leerlingen, ook leerlingen met een beperking of specifieke onderwijsbehoeften, zoveel mogelijk samen schoollopen in het gewone onderwijs. Daar wil de Vlaamse regering naar evolueren tegen 2040. Binnen het traject ‘Scholen voor iedereen’ zijn er pioniersscholen opgericht die in de praktijk uittesten op welke manier gewoon en buitengewoon onderwijs nauwer kunnen samenwerken, zodat meer leerlingen kwaliteitsvol onderwijs kunnen volgen. ‘Het idee vertrekt vanuit het leerrecht van ieder kind’, verduidelijkt Loes. ‘We willen elk kind de juiste ondersteuning én leerkansen bieden. Maar scholen moeten hierbij natuurlijk ook ondersteund worden.’
Hilde geeft aan dat er teveel kinderen in het buitengewoon onderwijs zitten, kinderen die daarom niet altijd op hun plaats zitten. ‘Elk kind heeft recht op goed onderwijs, maar ook in het buitengewoon onderwijs moet de lat hoog liggen en moeten we onderwijs aanbieden met de beste zorg.’
Leersteuncentra ondersteunen scholen bij de begeleiding van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. ‘Leerlingen met emotionele of gedragsstoornissen, de zogenaamde type 3-leerlingen, lopen soms school in het buitengewoon onderwijs maar er zijn er ook die met de nodige leerondersteuning les kunnen volgen in het gewone onderwijs’, zegt Jan Loosveld.
Keuzes voor een sterk basisonderwijs
Wanneer al vele vragen aan bod zijn gekomen, blijft de hamvraag van de avond één die we moeten vasthouden bij het maken van keuzes voor ons onderwijs in de toekomst: ‘Hoe kunnen we ons onderwijs organiseren zodat we het recht op leren voor elk kind garanderen?’, besluit Loes.
‘Een sterke samenleving begint bij sterk basisonderwijs. Kwalitatief basisonderwijs ontstaat door een goed samenspel tussen leerlingen, leerkrachten, directies en schoolbesturen. Maar vanuit onderwijs moeten we ook de brug maken naar de samenleving en samenwerken met lokale besturen, welzijnsorganisaties … want scholen kunnen deze uitdagingen niet alleen aan.’
















