kies regio:

De crisis is politiek - Lessen uit het personalisme van Paul Ricoeur

Niet dat we ons verkneukelen in andermans (en eigen) miserie, maar filosofen als ik moeten toch iets bekennen: een stevige crisis komt ons goed uit. Een crisis vormt immers een reflectiemoment bij uitstek, een moment om de toekomst vorm te geven, maar ook om terug te blikken en te leren uit het verleden. Dit geldt in het bijzonder voor het denken van de Franse filosoof Paul Ricoeur (1913-2005). Meer dan een halve eeuw geleden ontwikkelde Ricoeur zijn sociale en politieke denken in een tijdperk van crisis en opportuniteit dat bepaalde gelijkenissen vertoont met de situatie vandaag.

ricoeurPaul Ricoeur - © foto: Louis Monier In dit artikel bekijken we hoe zijn personalistische interpretatie van de naoorlogse maatschappelijke uitdagingen niets van hun relevantie hebben verloren (1). Paul Ricoeur speelde een vooraanstaande rol in het Franse maatschappelijke debat in de decennia na de Tweede Wereldoorlog. Zijn teksten beklemtoonden dat er verschillende dimensies waren in de crisis die de samenleving doormaakte. Ricoeur ontwarde de socio-economische en de politieke dimensie en pleitte voor oplossingen die geen van beide dimensies veronachtzamen. Hij schreef enerzijds over de wenselijkheid van een socialistisch systeem, maar anderzijds beklemtoonde hij dat een socialistische oplossing voor socio-economische problemen niet alles kan corrigeren, omdat de politiek eigen gevaren inhoudt. Hij sprak in dat verband over een zogenaamde “politieke paradox”: politiek ligt aan de basis van onze vrijheid, maar heeft ook de neiging om uit te monden in onrechtmatige overheersing. Die ideeën zijn vandaag niet minder aan de orde dan toen.

Politiek ligt aan de basis van onze vrijheid, maar heeft ook de neiging om uit te monden in onrechtmatige overheersing.

Personalistisch socialisme

Na de Tweede Wereldoorlog ontwaakte Europa niet alleen met een ongezien trauma, maar ook met een ongeziene taak. Het continent moest niet alleen in materiële zin, maar ook in morele en spirituele zin heropgebouwd worden. Deze beschavingscrisis vormde de context voor de intellectuele ontwikkeling van Paul Ricoeur. Hij vond bondgenoten in de brede intellectuele beweging van het zogenaamde ‘personalisme’, die al voor de oorlog een aanvang vond. De gedeelde aversie van de “bourgeoissamenleving” die was uitgedraaid op de oorlogshorror stimuleerde de personalisten om te dromen van een nieuwe samenleving, gebaseerd op een ‘derde weg’. Ze wezen het liberaal individualisme af, maar verwierpen ook de collectivistische alternatieven van het communisme en het fascisme. Die zoektocht loopt in zekere zin door tot op vandaag, met de huidige zoektocht naar een alternatief voor een neoliberaal kapitalistisch model, zonder te vervallen in nationalistische of communistische dooddoeners. Het alternatief van de personalisten baseerde zich op een mensbeeld dat de mens niet reduceert tot een zelfgenoegzaam individu, maar evenmin tot een ondergeschikt deel van een groter geheel, zoals het volk of de arbeidersklasse. Het personalisme kende een absolute waardigheid toe aan elke menselijke persoon. De term ‘persoon’ verwees daarbij naar de sociale en spirituele aard van het mens-zijn, het feit dat een mens zichzelf slechts kan ontplooien binnen gemeenschappen, zonder ondergeschikt te zijn aan die gemeenschappen. Elke mens heeft immers een persoonlijke roeping in het leven. Deze gedeelde visie vormde de inspiratie voor blauwdrukken voor een nieuwe samenleving, die bijzonder invloedrijk waren in de ontwikkeling van de naoorlogse christendemocratie.

In de periode na de oorlog sloot Ricoeur zich aan bij de personalistische Esprit-beweging rond de figuur van Emmanuel Mounier (1905-1950). De kern van Mouniers denken was een poging tot verzoening van socialisme en respect voor de menselijke persoon. Ricoeur onderschreef dit streven naar een personalistisch socialisme. Hij benadrukte dat socialisme zelf een bron van onderdrukking wordt als het niet ondergeschikt is aan een “personalistisch en communautair ideaal”, een utopie van een universele gemeenschap waarin elke mens zich ten volle kan ontplooien als persoon. Dit perspectief heeft vele implicaties. Het impliceert bijvoorbeeld een scherpe veroordeling van een arbeidsideaal dat neerkijkt op cultuur en op intellectuelen en het benadrukt dat solidariteit niet mag stoppen aan de landsgrenzen. Maar het zijn de implicaties op het vlak van de verhouding tussen economie en politiek die het meest interessant zijn voor ons vandaag.

Een utopie van een universele gemeenschap impliceert een scherpe veroordeling van een arbeidsideaal dat neerkijkt op cultuur en op intellectuelen en het benadrukt dat solidariteit niet mag stoppen aan de landsgrenzen.

De politieke paradox

In de herfst van 1956 smoorden Sovjettanks niet alleen de Hongaarse Opstand in de kiem, maar daarmee ook de hoop op een menselijker en vrijer communisme. Kort daarop schreef Ricoeur het essay Le paradoxe politique, waarin hij betoogde dat de gebeurtenissen in Boedapest wezen op een blijvend probleem dat vasthangt aan politieke macht en onafhankelijk is van socio-economische omwentelingen (2). Hij beschreef twee dimensies van de onafhankelijkheid van het politieke. Ten eerste is er een specifieke politieke rationaliteit. Die rationaliteit drukt de wil van een gemeenschap uit, op een manier die niet te reduceren valt tot een bijverschijnsel van economische verhoudingen. Ten tweede is er een specifiek politiek kwaad, dat ook verschilt van socio-economische onderdrukking en dat dus zelfs het gevolg kan zijn van het bestrijden van die onderdrukking. Politiek wordt daarom gekenmerkt door een paradox: Politiek brengt redelijke voortuitgang voort, door vrijheid en gelijkheid te garanderen en door mensen in staat te stellen om beslissingen te nemen over hun collectieve toekomst. Maar politiek impliceert altijd ook dat sommigen heersen over anderen. Bovendien zijn de heersers geneigd om hun macht steeds meer te laten gelden. Dat merk je bijvoorbeeld aan de manier waarop instellingen als de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank de voorbije jaren steeds meer macht naar zich toe hebben getrokken.

De vaststelling van de politieke paradox plaatst de politiek in een particulier perspectief. Via de politiek is de mens in staat tot grootse dingen, maar ook tot vreselijke wandaden. Dit kleurt de inzet van Ricoeurs politieke filosofie. Hij stelt dat politiek gaat over vrijheid, maar de ambiguïteit van de politiek impliceert dat vrijheid niet alleen verwijst naar de negatieve vrijheid, de vrijheid van inmenging. Het gaat evenzeer over de positieve vrijheid om te wegen op de macht en te verhinderen dat de overheid over de schreef gaat. Vrijheid zag Ricoeur daarom intrinsiek verbonden met actief burgerschap.

De totale verzoening van de macht met het individu is een ideaal dat we – gelet op de politieke paradox – nooit helemaal kunnen bereiken, maar wel moeten nastreven.

Door het feit dat politieke macht de mens zowel buitengewone mogelijkheden als grote risico’s voorschotelt, moest burgerschap volgens Ricoeur in de eerste plaats gaan over de plicht om waakzaamheid aan de dag te leggen. Geen eenvoudige boodschap in een samenleving waar we in de eerste plaats met onze rechten bezig zijn. Hij legde uit dat de politieke vrijheid van de burger bestaat uit de afwezigheid van politieke vervreemding, i.e. van politieke macht die de mens in zijn ontplooiing als persoon onderdrukt. Dit kan alleen volledig gerealiseerd worden in een democratie die werkelijk voldoet aan de eisen van Abraham Lincoln: een overheid van het volk, voor het volk en door het volk. De totale verzoening van de macht met het individu is een ideaal dat we – gelet op de politieke paradox – nooit helemaal kunnen bereiken, maar wel moeten nastreven. Dat streven moest volgens Ricoeur vorm krijgen via twee paden, die samen inhoud geven aan zijn moreel concept van democratisch burgerschap, namelijk enerzijds de vrijheid om te contesteren en anderzijds de vrijheid om te participeren (3).

De vrijheid om te contesteren zag Ricoeur als basiskenmerk van de westerse democratieën van zijn tijd. Politieke vrijheid wordt daarbij vereenzelvigd met de mogelijkheid om de macht te controleren en zo nodig te bekritiseren. In de vrijheid om te contesteren komt de kritische waakzaamheid van de burger als antwoord op de politieke paradox in eerste instantie tot uiting. Maar democratie heeft niet alleen een defensieve kant, maar ook een constructieve kant. Wie de macht van aan de zijlijn observeert en controleert, doet tegelijkertijd afstand van de mogelijkheid om zelf actief macht uit te oefenen. Ricoeur benadrukt dat een passieve houding ten aanzien van de politiek, hoe alert en actiebereid men ook moge zijn, de politieke vervreemding evenveel bestendigt als verzacht. Democratisch burgerschap mag daarom niet alleen gebaseerd zijn op de vrijheid om te contesteren, maar evenzeer op de vrijheid om te participeren. Politieke vrijheid bestaat in die tweede betekenis uit het participeren als actieve en verantwoordelijke burger aan de politieke besluitvorming. Op die manier staan we collectief in voor de realisatie van het gemeenschappelijk goede. Geen van beide elementen op zich volstaat. Contestatie zonder participatie miskent de politiek als het samen beslissen over de toekomst van de gemeenschap. Participatie zonder contestatie miskent de dreiging meegesleurd te worden in een ontaarde politieke machtsuitoefening.

Ricoeurs visie op burgerschap vergde een nieuwe vorm van democratisch bestel, die de positieve vrijheid werkelijk kan institutionaliseren. De kernidee van Ricoeurs politieke denken is dat de politieke paradox impliceert dat de burgers de staat moeten kunnen controleren, “zodat de staat er is, maar niet te veel”. We moeten dus institutionele technieken in stelling brengen die machtsuitoefening mogelijk en machtsmisbruik onmogelijk maken. De nieuwe democratie, die Ricoeur voor ogen had, moet de collectieve keuze weghalen van bij technocraten en lobbyisten, die feitelijk de beslissingen nemen in een bureaucratie. In de plaats zou maximale burgerparticipatie de norm moeten worden. Een zo groot mogelijk aantal mensen moet kunnen deelnemen aan het publieke debat en de publieke besluitvorming. De Europese Commissie bestond nog niet op de manier zoals we haar nu kennen en van de Europese Centrale Bank was nog helemaal geen sprake. Ricoeurs kritiek op technocraten en lobbyisten past vandaag niettemin als gegoten.

Contestatie zonder participatie miskent de politiek als het samen beslissen over de toekomst van de gemeenschap. Participatie zonder contestatie miskent de dreiging meegesleurd te worden in een ontaarde politieke machtsuitoefening.

Burgerdeugd

Ricoeurs eigen focus lag niet zozeer op het uitwerken van de institutionele voorwaarden, maar wel op de ethische voorwaarden. Hij benadrukte dat de burgers gevormd moeten worden om effectief te kunnen omgaan met de vrijheid om te participeren. Dit heeft te maken met het feit dat democratie niet alleen een adequaat institutioneel kader, maar vooral ook een nieuw concept van burgerdeugd vereist. Ricoeur onderstreepte dat de paradoxale aard van politiek ons nooit tot defaitisme mag verleiden. Het moet ons integendeel stimuleren tot waakzaam en actief burgerschap. De burgerdeugd die daarmee overeenstemt omschreef Ricoeur als een wisselwerking van verantwoordelijkheidsethiek en overtuigingsethiek. Overtuigingsethiek (4) is een ethiek die idealen nastreeft zonder omzien naar de feitelijke gevolgen van machtsuitoefening. Verantwoordelijkheidsethiek is een ethiek die staat voor redelijk en bedachtzaam politiek handelen, bewust van de realiteit en de gevaren die voortkomen uit de paradoxale aard van politieke macht. De politieke ethiek moet een dialectiek tussen beide polen bewaren. Louter verantwoordelijkheidsethiek zou immers tot machiavellisme leiden terwijl louter overtuigingsethiek uitmondt in onderdrukkend moralisme. In zijn visie op politieke vorming hechtte Ricoeur bijgevolg veel belang aan de bewustmaking en handhaving van de spanning tussen de beide polen. Slechts op grond van die spanning is deugdzaam politiek handelen mogelijk. Dat is dan met name politiek handelen vanuit een praktische wijsheid die het bewustzijn van de politieke paradox en de menselijke kleinheid combineert met een continue bekommernis om de idealen waar het eigenlijk om te doen is.

Als het aanpakken van de crisis meer macht voor bepaalde instellingen vereist, dan moet er ook meer democratische controle komen. Dan heb ik het niet alleen over de mogelijkheid om op straat te komen en te protesteren.

Ricoeur introduceerde deze bevindingen over de politieke paradox en de manier om ermee om te gaan in zijn benadering van een personalistisch socialisme. Een planeconomie impliceert een substantiële toename van de macht van de staat. Gelet op de politieke paradox is er dus een groot risico dat de oplossing in de economische sfeer een probleem wordt in de politieke sfeer. Deze dynamiek herkende Ricoeur in de communistische regimes van die tijd. Maar hij benadrukte dat de band tussen socialisme en politieke onderdrukking niet onafwendbaar is. De sleutel is om elke verschuiving van individuele keuzevrijheid naar collectieve keuzes te compenseren door een maximale participatie van geïnformeerde burgers. Politieke vorming is dan ook cruciaal, niet alleen op het vlak van de politieke paradox zelf of op het vlak van de techniciteit van politieke vraagstukken, maar vooral ook op het vlak van de ethische dimensie van collectieve keuzes. De verantwoordelijkheid blijft echter uiteindelijk bij het individu liggen. Uit het feit dat politieke macht de mens confronteert met zowel geweldige mogelijkheden als immense risico’s moeten we volgens Ricoeur concluderen dat burgerschap in de eerste plaats een plicht impliceert om politieke waakzaamheid aan de dag te leggen en actief deel te nemen aan het politieke proces.

Lessen voor vandaag

De crisiscontext waarin Ricoeur schreef is niet dezelfde als vandaag. Toch bevatten zijn overwegingen relevante inzichten, in het bijzonder in de context van de transnationale aanpak van de schuldencrisis. De Europese instellingen hebben zichzelf ruimere bevoegdheden aangemeten inzake de controle op nationale begrotingen. De manier waarop Griekenland recent onder curatele werd gezet is daar de meest extreme uitloper van. Nog los van de vraag of het beleid wel een oplossing aanreikt, wijst Ricoeur ons op een risico. Als het aanpakken van de crisis meer macht voor bepaalde instellingen vereist, dan moet er ook meer democratische controle komen. Dan heb ik het niet alleen over de mogelijkheid om op straat te komen en te protesteren. We moeten ook betrokken zijn in een politiek besluitvormingsproces waarmee we ons kunnen identificeren. Als technocratische instellingen die ver boven ons hoofd functioneren, zoals de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank, meer en meer macht krijgen zonder dat de waakzaamheid en de participatie van de burgers op het Europese toneel gelijke tred houdt, dan is de legitimiteit in het gedrang.

Ricoeur leert ons dus dat we vooral een politieke crisis meemaken. De moeilijkste uitdaging is om economische oplossingen te koppelen aan voldoende vermogen om te contesteren en te participeren op het relevante en dus grensoverschrijdende niveau. Een adequaat institutioneel kader is bovendien onvoldoende. We hebben ook nood aan vorming die ons als burgers voorbereidt om effectief gebruik te maken van onze politieke vrijheid.

Dries Deweer
De auteur behaalde zijn doctoraat aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte - KULeuven over Paul Ricoeur

 

  • (1) Dit artikel belicht enkele aspecten uit mijn doctoraal proefschrift, getiteld Naar een personalistisch republikanisme. Persoon-zijn en burgerschap bij Ricoeur (KU Leuven, 2015). Daarin toon ik aan dat het personalisme niet noodzakelijk filosofisch achterhaald is, zoals sinds eind de jaren ’60 de gangbare opvatting is geweest, en dat het bovendien een oplossing aanreikt voor belangrijke impasses binnen de hedendaagse politiek-filosofische discussies over burgerschap. Zie ook mijn uitgebreidere artikel: ‘Ricoeur and the Pertinence of a Political Education: On Crisis and Commitment.’ Archivio di Filosofia, 81 (1-2), 71-80.

  • (2) Paul Ricoeur (1964), 'Le paradoxe politique', Histoire et Vérité (3° edn., Esprit; Paris: Seuil), 260-85 (oorspronkelijk gepubliceerd in 1957).

  • (3) Paul Ricoeur (1959), 'Le paradoxe de la liberté politique', La Liberté: Rapport de le sixième conférence annuelle Canadien des Affaires Publiques (Montréal: Institut Canadien des Affaires Publiques), 51-55.

  • (4)Het onderscheid tussen overtuigingsethiek en verantwoordelijkheidsethiek werd oorspronkelijk gemaakt door de Duitse socioloog Max Weber, maar Ricoeur gebruikt het op een eigenzinnige manier.

  Deze website werd mede mogelijk gemaakt door
Belfius Bank VDK bank Logo DVV